Voordat u een server (knooppunt) aan een failover-cluster toevoegt, wordt het ten sterkste aanbevolen de wizard Een configuratie valideren uit te voeren voor de bestaande clusterknooppunten en het nieuwe knooppunt (of knooppunten). De wizard Een configuratie valideren helpt de configuratie op verschillende, belangrijke manieren te bevestigen. De wizard valideert bijvoorbeeld dat de toe te voegen server op de juiste wijze met de netwerken en opslag is verbonden, en dezelfde software-updates bevat.

Belangrijk

Microsoft biedt alleen ondersteuning voor failoverclusteroplossingen waarvan de volledige configuratie (servers, netwerk en opslag) voldoet aan alle tests van de wizard Een configuratie valideren. Bovendien moeten alle hardwareonderdelen in de oplossing zijn voorzien van de aanduiding 'Certified for Windows Server 2008 R2'.

Zie https://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=139146 voor meer informatie over het maximumaantal servers dat in een failovercluster is toegestaan (pagina is mogelijk Engelstalig).

Zie Nieuwe of bestaande failover-clusters valideren voor meer informatie over validatie.

Lidmaatschap van de lokale groep Administrators , of daaraan gelijk, is minimaal vereist om deze procedure te voltooien. Bekijk de details over het gebruik van de juiste accounts en groeplidmaatschappen op https://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=83477.

Een server aan een failover-cluster toevoegen
  1. Bevestig dat u de netwerken en opslag hebt verbonden met de server die u wilt toevoegen. Zie Hardware voorbereiden alvorens een failover-cluster te valideren voor meer informatie over netwerk- en opslagvereisten.

  2. Valideer de hardwareconfiguratie (zowel de bestaande clusterknooppunten als het voorgestelde nieuwe knooppunt). Zie Nieuwe of bestaande failover-clusters valideren voor meer informatie over validatie.

    Belangrijk

    Microsoft biedt alleen ondersteuning voor failoverclusteroplossingen waarvan de volledige configuratie (servers, netwerk en opslag) voldoet aan alle tests van de wizard Een configuratie valideren. Bovendien moeten alle hardwareonderdelen in de oplossing zijn voorzien van de aanduiding 'Certified for Windows Server 2008 R2'.

  3. Als het cluster dat u wilt configureren niet in de module Failoverclusterbeheer wordt weergegeven, klikt u met de rechtermuisknop op Failoverclusterbeheer, klikt u op Een cluster beheren en selecteert u het gewenste cluster of geeft u het gewenste cluster op.

  4. Selecteer het cluster en klik in het deelvenster Acties op Een knooppunt toevoegen.

  5. Volg de instructies in de wizard om de server op te geven die aan het cluster moet worden toegevoegd.

  6. Nadat de wizard is uitgevoerd en de pagina Overzicht wordt weergegeven, klikt u op Rapport weergeven als u een rapport wilt bekijken van de taken die de wizard heeft uitgevoerd.

    Als u het rapport wilt bekijken nadat u de wizard hebt gesloten, gaat u naar de volgende map, waar SystemRoot de locatie van het besturingssysteem is (bijvoorbeeld C:\Windows):

    SystemRoot\Cluster\Reports\

Aanvullende overwegingen

  • U kunt de taak die in dit onderwerp wordt beschreven, ook uitvoeren met Windows PowerShell. Zie https://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=135119 en https://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=135120 (deze onderwerpen zijn mogelijk in het Engels) voor meer informatie over het gebruik van Windows PowerShell voor failoverclusters.

  • U opent de failoverclustermodule als volgt: klik op Start, klik op Systeembeheer en klik vervolgens op Failoverclusterbeheer. Als het dialoogvenster Gebruikersaccountbeheer wordt weergegeven, controleert u of de gewenste actie wordt weergegeven en klikt vervolgens u op Ja.

Aanvullende naslaginformatie


Inhoudsopgave